We falen onze kinderen

Deze vakantie heeft me meer beziggehouden dan ik van tevoren had verwacht. Niet alleen door onze eigen vakantie met vijf(!) kinderen, maar vooral door wat ik om me heen zag gebeuren. Ik heb kinderen zien huilen, schreeuwen, instorten en compleet overprikkeld raken. En eerlijk gezegd: daar schrik ik niet van. Kinderen zijn kinderen. Een kind dat na een lange dag op vakantie ineens op de grond ligt te huilen omdat het ijsje in drie seconden is gesmolten, vind ik niet ingewikkeld. Dat hoort erbij.

Waar ik wél van geschrokken ben, is de manier waarop er met die kinderen werd omgegaan.

Hardhandig fysiek ingrijpen, schreeuwen tegen kinderen die duidelijk al volledig over hun grens waren, kinderen die geen ruimte kregen voor hun emoties. Een moeder die in het zwembad volledig uit haar slof schoot omdat haar kind speels wat water op haar rug druppelde. De vader die zo hardhandig met zijn kinderen omging dat wij de manager hebben gesproken van de camping. Het waren allemaal losse momenten, maar bij elkaar begonnen ze iets bij mij los te maken. Ik bleef maar denken: wanneer zijn we als volwassenen zo ver overprikkeld geraakt dat er voor de emoties en behoeften van onze kinderen helemaal geen ruimte meer over is?

En misschien is dat juist zo confronterend omdat wij zelf deze vakantie ook aan die kant van de grens hebben gestaan.

De eerste twee dagen van onze vakantie vroegen mijn man en ik ons serieus af waar we in hemelsnaam aan begonnen waren. Vier kinderen, een lange reis, een andere omgeving, een camping, spullen uitpakken, tent opzetten, warmte, drukte en ondertussen proberen iedereen een beetje tevreden te houden. Het was veel. Voor ons, maar zeker ook voor de jongsten. Het verschil zat hem uiteindelijk niet in het feit dat onze kinderen geen last hadden van al die prikkels. Natuurlijk hadden ze dat. Het verschil zat voor ons in wat we vervolgens deden met die signalen.

Na die eerste twee dagen vonden we langzaam ons ritme. En ineens kwam er rust.

Niet omdat onze kinderen ineens makkelijker werden. Niet omdat ze opeens de hele dag gezellig meedraaiden in het programma. Juist doordat wij ons programma meer gingen aanpassen aan wat zij nodig hadden.

Dus ja, we gingen terug naar de tent voor een dutje. Mega saai. Zeker als je op vakantie bent en eigenlijk denkt: we zijn hier nu, dus we moeten eruit halen wat erin zit. Maar die middagdut bleek belangrijker dan dat leuke uitstapje. En het gevolg? Geen volledig oververmoeid kind dat aan het einde van de middag compleet explodeert. Ook met bedtijd maakten we heel bewust keuzes. We hebben geen feestjes meegepakt. We zijn niet met z’n allen uren op een terras blijven zitten omdat het zo gezellig was. Niet omdat we vinden dat ouders op vakantie niets meer mogen, maar omdat wij inmiddels weten wat er gebeurt wanneer onze jongsten over hun grens heen raken.

En eerlijk gezegd past het gewoon niet bij hoe wij het ouderschap voor ons zien om na een paar drankjes een volledig oververmoeid kind van een terras af te moeten peuteren omdat het daar compleet instort.

Natuurlijk mag je als ouder genieten. Natuurlijk mag je een drankje drinken. Natuurlijk mag je behoefte hebben aan een avond voor jezelf of samen met je partner. Daar is helemaal niets mis mee.

Maar er zit voor mij een verschil tussen rekening houden met de behoeften van je kinderen en verwachten dat je kinderen zich maar aanpassen aan jouw vakantie.

Want wat ik deze vakantie veel zag, was precies dat laatste. Kinderen die na een lange reis, een warme dag, een nieuwe omgeving en uren vol prikkels uiteindelijk volledig instorten. En vervolgens worden ze boos aangekeken omdat ze niet meer gezellig kunnen doen. Een kind dat om 22.00 uur op een terras een tantrum krijgt, is misschien helemaal niet een kind dat zich misdraagt. Misschien is het een kind dat al uren geleden naar bed had gemoeten.

En dat is een ongemakkelijke gedachte, want papa en mama wilden misschien nog even blijven zitten. Nog een drankje. Nog even gezellig praten. Het was tenslotte vakantie.

Maar als je vervolgens boos wordt op je kind omdat het om 22.00 uur niet meer kan functioneren, moeten we misschien ook durven kijken naar onze eigen keuzes.

Wie heeft hier eigenlijk het meest gevraagd? Van het kind dat al de hele dag probeert mee te bewegen met alles wat wij als volwassenen hebben bedacht? Of van de volwassenen die besloten hebben dat het nog wel even moest kunnen? Ik denk hier veel over na omdat kinderen zich vaak helemaal niet anders kunnen uiten dan met gedrag. Een volwassene kan zeggen: “Ik ben moe. Ik heb behoefte aan stilte. Ik trek dit even niet meer.” Een klein kind kan dat soms nog niet. Die wordt huilerig, boos, druk, hangerig of compleet onhandelbaar.

En dan noemen we het een tantrum.

Maar wat als het geen tantrum is die opgelost moet worden? Wat als het een signaal is? Wat als het kind eigenlijk zegt: ik kan dit niet meer verwerken?

Ik denk dat daar een groot probleem zit. We verwachten van kinderen steeds vaker dat ze zich aanpassen aan een wereld die voor volwassenen al ontzettend veel vraagt. Ze moeten stilzitten in een restaurant, uren in de auto, mee naar verjaardagen, winkels, campings en terrassen. Ze moeten wachten, luisteren, delen, slapen wanneer het ons uitkomt en vooral niet te veel emoties laten zien wanneer wij daar geen ruimte voor hebben.

En ondertussen verwachten we dat ze zichzelf leren reguleren.

Maar hoe kunnen we van een kind verwachten dat het zichzelf reguleert wanneer wij als volwassenen zelf volledig overprikkeld zijn?

Misschien is dat wel één van de meest confronterende dingen aan ouderschap. Dat je soms niet alleen naar het gedrag van je kind moet kijken, maar naar de omstandigheden waarin dat gedrag ontstaat. En soms betekent dat dat je jezelf moet aanpassen.

Dat wij na die eerste twee dagen tegen elkaar zeiden: oké, blijkbaar moeten we het anders doen.

Niet meer proberen om alles uit deze vakantie te halen. Niet meer ieder moment benutten. Niet meer denken dat we iets missen wanneer we met een peuter en een dreumes terug naar de tent gaan omdat ze moeten slapen.

Gewoon luisteren naar wat zij nodig hebben.

En gek genoeg kwam daar juist de rust.

Niet alleen bij hen, maar ook bij ons.

Want wanneer je niet de hele tijd een oververmoeid kind hoeft te reguleren, heb je als ouder zelf ook veel meer ruimte over.

Dat betekent niet dat wij het altijd goed doen. Absoluut niet. Wij zijn ook moe. Wij zijn ook overprikkeld. Wij hebben ook momenten waarop onze emmer leeg is en je denkt: als iemand nu nog één keer “mama” zegt, weet ik niet wat er gebeurt.

Het verschil zit voor mij in het bewustzijn dat daar verantwoordelijkheid bij hoort.

Onze kinderen hoeven niet de rekening te betalen voor het feit dat wij volwassen zijn en onze eigen grenzen niet op tijd herkennen.

En dat is misschien wel waarom ik deze vakantie zo geraakt ben door wat ik zag.

Niet omdat ik denk dat andere ouders slecht zijn. Niet omdat ik denk dat wij het perfecte gezin zijn. Maar omdat ik steeds opnieuw zag hoe snel de behoefte van een kind naar de achtergrond verdwijnt wanneer volwassenen zelf over hun grens heen zijn.

En wanneer wij als volwassenen niet meer gereguleerd zijn, zijn het vaak de kleinsten onder ons die dat moeten ontgelden.

Dan wordt een huilend kind irritant.

Een boos kind vervelend.

Een druk kind lastig.

Een kind dat niet wil slapen ongehoorzaam.

Een kind dat grenzen aangeeft brutaal.

Terwijl dat gedrag soms helemaal niet zegt: “Ik wil jullie vakantie verpesten.”

Het zegt misschien gewoon: “Dit is te veel.”

Misschien falen we daar als maatschappij.

Niet omdat ouders hun best niet doen. Volgens mij doen de meeste ouders juist ontzettend hun best. Maar omdat we leven in een maatschappij waarin we kinderen heel veel vragen en vervolgens weinig ruimte laten voor de gevolgen daarvan.

We willen kindvriendelijke campings, restaurants en vakanties, maar ondertussen verwachten we vaak dat kinderen zich gedragen als kleine volwassenen. We willen dat ze mee kunnen in ons leven, zolang ze ons leven maar niet te veel verstoren.

En misschien moeten we daar eerlijker naar kijken.

Want natuurlijk mag een ouder genieten. Natuurlijk mag je op vakantie een drankje drinken. Natuurlijk hoef je niet om 19.00 uur met je kind in de tent te liggen omdat kinderen nu eenmaal kinderen zijn.

Maar je kunt niet altijd beide hebben.

Je kunt niet verwachten dat je kind de hele dag meedraait in jouw vakantieprogramma en vervolgens verbaasd zijn wanneer het ’s avonds volledig instort.

Soms is de keuze gewoon: wij gaan terug naar de tent.

Soms is de keuze: nee, we gaan dat feestje niet meepakken.

Soms is de keuze: jammer dan, we missen dat leuke moment.

En misschien is dat helemaal niet saai.

Misschien ís dat ouderschap.

Je kind helpen dragen wat het zelf nog niet kan dragen. Niet omdat je daarmee al hun emoties voorkomt, maar omdat je ze leert dat hun emoties er mogen zijn.

Deze vakantie heeft me vooral laten nadenken over de vraag die ik mezelf steeds opnieuw stelde:

Wanneer zijn kinderen onze overprikkeling gaan betalen?

Wanneer zijn we gaan verwachten dat zij zich aanpassen aan onze grenzen, terwijl wij zelf verantwoordelijk zijn voor het bewaken daarvan?

En misschien moeten we niet altijd beginnen met de vraag: “Hoe krijgen we dit kind weer rustig?”

Misschien moeten we soms beginnen met:

“Wat heeft dit kind nodig?”

En daarna:

“Wat kan ik hierin aanpassen?”

Want kinderen hoeven niet eerst rustig te worden voordat ze onze zachtheid verdienen.

Juist wanneer ze zichzelf niet meer kunnen reguleren, hebben ze ónze regulatie het hardst nodig.

En misschien begint een kindvriendelijkere maatschappij daar.

Niet bij kinderen die zich beter leren gedragen.

Maar bij volwassenen die bereid zijn om zichzelf af en toe af te vragen:

Is dit wat mijn kind nodig heeft, of is dit vooral wat ík vandaag wil?

Die vraag is soms behoorlijk confronterend.

Maar ik denk dat het een belangrijke vraag is.
Liefs, Gentry

Een reactie plaatsen